Homepage
Geloven
In de kerk
In de stad
Home Lezen Archief column: Missie en moslims
PDFPrintE-mail
Archief column: Missie en moslims
Meer lezen over...
 
Interessante links
‘Moslimevangelisatie levensgevaarlijk’, zo kopte het dagblad Trouw op oudejaarsdag. De voorzitter van de Worldfederation of Muslims and Jews uitte onder die kop zijn zorg over evangelisatie onder moslims, met name moslimjongeren: ‘Die jongeren hebben problemen, soms is het enige houvast hun geloof. Door evangelisatie wordt hun de islam afgepakt. Van moslimjeugd wordt al gevraagd te integreren – wat ik zelf te ver vind gaan, participatie is genoeg. Nu willen christenen er ook nog christenen van maken. Dat is levensgevaarlijk’,... aldus de voorzitter. Het leidt in feite tot ‘verdere polarisatie van de maatschappelijke verhoudingen’.

Ik heb wel even over dat artikeltje na moeten denken. Natuurlijk wordt hier een karikatuur getekend, maar ergens voelde ik me toch ook aangesproken. Als missionair werker in Rotterdam Delfshaven, een wijk waarin één op de drie bewoners moslim is, heb ik zelf heel direct met deze thematiek te maken en mezelf ook dergelijke vragen gesteld. Onze kerkelijke gemeente zoekt bewust het contact met onze moslimburen. Dan moet je je motieven helder hebben en ook onder woorden proberen te brengen. Wat is je drijfveer, je doel in de ontmoeting met moslims? Dat ene citaat raakt toch ergens bij mij ook een zenuw. Wil ik inderdaad ‘christenen van ze maken’? Ben ik dan inderdaad bezig hun eigen geloof van ze af te pakken? Geloof dat hun kostbaar en dierbaar is en houvast geeft? In dat geval is het niet denkbeeldig dat je polariserend bezig bent en het is de vraag of Rotterdam daar op het ogenblik op zit te wachten. Ja, heeft bovengeciteerde ondanks de karikaturisering ook niet een punt te pakken? In deze korte bijdrage wil ik de lezer graag deelgenoot maken van mijn missionaire overwegingen en gedachten.

Al weer bijna twee jaar ben ik betrokken bij het missionaire werk in Rotterdam. In de concrete ontmoeting en het gesprek met gelovige moslimburen ben ik overigens helemaal niet zo bezig met bovengenoemde vragen. Het is vooral in gesprekken met ‘huisgenoten des geloofs’ dat ik gevraagd wordt mijn visie te verantwoorden. Evangelisch angehauchten (om even te stereotyperen) vragen me bezorgd en huiverig voor een oppervlakkige dialoog of ik moslims dan in ieder geval wel oproep tot bekering. Van meer oecumenische zijde hoor ik diametraal tegenovergestelde zorgen: ‘Je bent ze toch niet aan het bekeren, hé?’. Trouwens, in meer dan een geval gaat het om broeders en zusters die zelf nog nauwelijks een moslim hebben gesproken. Steeds weer moet ik mijn best doen duidelijk te maken dat beide alternatieven mij net iets te weinig genuanceerd voorkomen. Maar hoe zie ik het dan wel? Waar ben ik dan wel mee bezig?

Misschien is het goed eerst even iets te vertellen over de concrete ontmoetingen met onze moslimburen. Op verschillende manieren raken we als gemeente met hen in gesprek: georganiseerd en niet-georganiseerd, locaal en boven-locaal. Over het algemeen hebben deze ontmoetingen een wederkerig karakter. Zo werd al voor mijn tijd samen met een Turkse moskee in onze wijk een gezamenlijke Cursus Christendom en Islam aangeboden. Gelovigen uit beide religieuze tradities boden om beurten een inleiding aan over een thema uit de eigen godsdienst. Zo kwamen de oorsprong van islam en christendom aan de orde, de kern van beide geloofstradities, de uitdagingen waarvoor beide godsdiensten vandaag de dag staan. In gemengde groepjes werd hier vervolgens over doorgesproken. We bezoeken elkaars gebedshuizen, krijgen tekst en uitleg en gaan erover in gesprek. Er worden dialoogavonden belegd. Duurzame contacten worden gelegd in gesprekskringen. In een groeiende sfeer van vriendschappelijkheid en vertrouwen leren we van elkaars geloof en leven, gewoonten en gebruiken. Meer dan eens eten we met elkaar. Vooral rond de islamitische en kerkelijke feesten zijn we vaak bij elkaar te gast.

Wat beogen we nu met deze ontmoetingen? In de eerste plaats gewoon de wederzijdse kennismaking. Als buren in dezelfde wijk willen we elkaar beter leren kennen. Zo verheven is dit doel niet eens, maar in de praktijk blijkt er over en weer sprake te zijn van vooroordelen, gevoelens van wantrouwen en angst. In de ontmoeting met elkaar willen we bruggen slaan tussen mensen, mensen met elkaar in gesprek brengen, vooroordelen toetsen. Ik ben ervan overtuigd dat deze ontmoeting één van de doelen, een doel op zich is, van het missionaire werk. Hierin wordt duidelijk dat mensen van diverse achtergrond, zowel cultureel, maatschappelijk als godsdienstig, ondanks alle verschillen toch met elkaar het gesprek, de dialoog zoeken en niet het isolement. We willen ons niet bij vooroordelen, angsten en superioriteitsgevoelens neerleggen, maar proberen bereid te zijn in de persoonlijke ontmoeting onze eigen beeldvorming te laten corrigeren, ons een spiegel voor te laten houden. In zijn samenvatting van de wet spreekt Jezus over de liefde tot de naaste. Dan moet er toch ook de bereidheid zijn om je naaste te leren kennen, om deze te ontmoeten, om deze ook in zijn of haar eigen leefwereld op te zoeken? In mijn optiek mag deze ontmoeting ook best belangeloos zijn, een intrinsiek doel, zonder bijoogmerk. Als er van een bijoogmerk gesproken kan worden, dan is het dat we de leefbare samenleving willen dienen en een klein voorbeeld hopen te geven hoe met verschillen samen te leven.

Deze dialoog heeft overigens niet per definitie iets oppervlakkigs of zoetsappigs. Naar mijn idee is dat een groot misverstand. Het Griekse dialegomai – veelvuldig gebruikt in het voor missiologen zo interessante boek Handelingen - wordt soms ook wel met twistgesprek of dispuut vertaald. In de dialoog kan het er soms best heftig aan toe gaan. Grote meningsverschillen, misverstanden, vooroordelen die bevestigd worden, woorden die kwetsen, irritatie en ergernis…het zijn allemaal risico’s die je loopt in een open en eerlijke ontmoeting. In een werkelijke dialoog wordt de confrontatie niet geschuwd.

Met regelmaat is er in de contacten met moslims sprake van herkenning en verwantschap. Soms echter, zo gebiedt de eerlijkheid te zeggen, is er ook vervreemding. Rond bepaalde thema’s liggen er grote verschillen en gevoeligheden. Recent voorbeeld is de kwestie rond Abdul Rahman, de Afghaanse christen die de islam de rug toegekeerd had en dreigde daarvoor de doodstraf te ontvangen. Toen dit thema afgelopen week na afloop van het vrijdaggebed in het theehuis ter sprake kwam, waren we al snel verwikkeld in een heftige en emotionele discussie, die mij nog goed is bijgebleven. Alle betrokken gesprekspartners (ik incluis) gingen met huiswerk naar huis. Fundamentele dogmatische en hermeneutische vragen en geschilpunten kwamen aan de orde. Ook dat, juíst dat is dialoog! Maar juist omdat we elkaar al langer kennen en menigmaal bij elkaar aan tafel te gast zijn geweest en thee hebben gedronken in de moskee, kunnen ook controversiële thema’s open en eerlijk worden besproken.

In theologische discussies wordt dikwijls streng onderscheiden tussen dialoog en getuigenis. Ik ben dat misleidend gaan vinden. Zoals ik al schreef: in de praktijk van het gesprek ligt deze grens helemaal niet zo scherp, ben ik me van het onderscheid ook nauwelijks bewust. Het is ook knap lastig om in het gesprek je christelijke identiteit en je geloofsovertuigingen niet mee en in te brengen. Het wordt zelfs van je verwacht dat je die inbrengt. Sterker nog, als je het zelf niet doet, dan geeft je gesprekspartner wel zijn (u begrijpt, ik spreek vooral moslimmannen) versie van het ‘christelijk verhaal’. Vaak ben ik vooral aan het uitleggen, vooroordelen aan het wegnemen, beelden aan het bijstellen. Met regelmaat hoor ik mijzelf proberen onder woorden te brengen waarom ik christen ben, waarom ik zo gefascineerd en gegrepen ben door de persoon van Jezus. Ik noem dat getuigen, verantwoording afleggen van de hoop die in je is. Je zou het wat mij betreft ook evangeliseren kunnen noemen: in de strikte betekenis van het evangelie uitleggen. Dit alles heeft een heel natuurlijke plek in het gesprek. In datzelfde gesprek wordt mij het ‘islamitisch verhaal’ uitgelegd, hoor ik waarom mijn gesprekspartner moslim is en wat dat voor hem betekent. Het gesprek blijft wederkerig, dialoog, tweespraak.

Dat betekent ook dat je in een werkelijke dialoog bereid moet zijn in de ontmoeting met de ander echt iets te leren. Niet alleen over de ander, maar ook over jezelf. ‘Het missionaire mes snijdt sinds de dagen van Petrus en Cornelius altijd aan twee kanten’, zo sprak mijn voorganger. Mijn ervaring is dat ik me in de ontmoeting met moslims weer opnieuw bevind op de weg achter Jezus van Nazareth en me met zijn discipelen (net als moslims streng monotheïsten) verbaas over deze persoon: ‘Wie is toch deze?’. Zelf ben ik de uniciteit van Jezus des te scherper op het spoor gekomen. Als het gaat om de wijze waarop Jezus zijn macht uitoefent onderscheidt hij zich duidelijk van de profeet Mohammed. Zeker rond de hele Deense cartoonaffaire ben ik me hier scherp van bewust geworden. Van meet af aan heeft de christelijke kerk moeten leren leven met een bespotte en gekruisigde Christus. Denk maar aan de vroege cartoon van een ezel afgebeeld aan een kruis met als onderschrift ‘Alexamenos aanbidt zijn God’. Juist deze uniciteit van Jezus impliceert echter ook dat we Jezus niet kunnen annexeren voor onszelf. Jezus is niet van ons. Hij gaat net als in Judea en Samaria soeverein zijn gang en ontsnapt telkens aan de beelden die men zich van hem maakt. Ook de conciliaire articulaties van de christologie willen enkel het geheim van God in Christus bewaken en veilig stellen. Dat noopt mij tot bescheidenheid.

Waarom voel ik mij dan toch aangesproken door dat krantenartikel over moslimevangelisatie?
Omdat ik als christen toch echt het idee heb, dat als je iets over God wilt zeggen, je in de buurt moet zijn van Jezus en bij hem in de leer moet. Als christen, geraakt en gegrepen door de persoon van Jezus, weet ik me aangesproken door zijn woorden tot zijn leerlingen, om op hun beurt anderen tot leerlingen van hem te maken. ‘Gij zult mijn getuigen zijn’, zo interpreteert de evangelist Lucas. Woorden die mij motiveren, inspireren en ook bemoedigen in mijn werk. Zelf ben ik nog altijd in de leer bij Jezus. En er valt erg veel en nog lang te leren. Over mijzelf, over God, over hoe om te gaan met elkaar. En ik ben ervan overtuigd dat anderen ook veel van hem kunnen leren. Ook moslims. Ja, dat ligt wel erg dicht bij ‘christenen van ze willen maken’. Maar hier luistert het wel nauw. Liever spreek ik van medeleerlingen maken. Maar ik blijf ook dan nog zitten met dat woordje ‘maken’. Dat laatste is, naar mijn volle overtuiging, mijn werk niet. Ik hoef ook niet iets van mensen af te pakken. Ik getuig van hem door wie ik gegrepen ben en Jezus moet zelf als derde gesprekpartner het gesprek maar binnen treden.

‘Laten we “overtuigende” mensen (persuasive people) zijn, overtuigen (persuave) juist doordat we geen druk uitoefenen, maar zijn wie we zijn omdat Christus in ons woont’, zo las ik in dit verband ergens. Een treffend citaat. Naar mijn idee zit hier ergens de clue. Je kunt maar het beste dicht bij jezelf blijven, dicht bij Jezus vooral. Het slot van het Johannesevangelie is veelzeggend. ‘Wat gebeurt er met hem, Heer?’, vraagt Petrus wijzend op Johannes aan Jezus. ‘Dat is niet jouw zaak’, is de repliek van Jezus. ‘Maar volg jij mij!’ (21:22). Natuurlijk, er valt nog veel te zeggen en te overdenken, maar aan dat volgen, daaraan heb je ook als missionair werker je handen al vol.



Reacties: Dit e-mail adres is beschermd tegen spambots, u heeft Javascript nodig om het te kunnen zien.